Bepalen van het loon van de directeur-grootaandeelhouder

Welke factoren bepalen de hoogte van het gebruikelijk loon voor een directeur-grootaandeelhouder?

De hoogte van het gebruikelijk loon voor de DGA.

Bij het bepalen van het loon voor de directeur-grootaandeelhouder zijn een aantal richtlijnen waar u zich aan moet houden. Het loon dat door de DGA ontvangen wordt vanuit de BV moet zijn:

  • Het loon dat een werknemer ontvangt bij een meest vergelijkbare dienstbetrekking. De werkzaamheden hoeven niet precies hetzelfde te zijn. Het loon van een tandarts in loondienst kan worden gebruikt als vergelijking voor het loon van een orthodontist.
  • Het gebruikelijk loon mag u niet lager vaststellen. Als u dit wel doet moet u aannemelijk maken dat het loon, dat verkregen wordt in de meest vergelijkbare dienstbetrekking, lager is.
  • U mag het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking met 25% doelmatigheidsmarge verlagen. Hier zit een ondergrens van €45.000,- aan verbonden.

Is het mogelijk om het loon lager dan €45.000,- te bepalen?

Op het moment dat u aannemelijk kunt maken dat in de meest vergelijkbare dienstbetrekking het loon lager is dan €45.000,-, is het mogelijk om uw loon het op dit lagere bedrag vast te stellen. In dit geval geldt er geen doelmatigheidsmarge van 25%. Bij het aannemelijk maken dat het loon bij de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan €45.000,- heeft u bewijs nodig. Hiervoor kunt in overleg met de belastingdienst.

Op het moment dat uw onderneming verlies maakt kunt u de belastingdienst verzoeken het gebruikelijk loon lager vast te stellen. Echter, op het moment dat u uw loon aanvult met opnamen in rekening-courant vorm, worden deze opnamen door de belastingdienst toegevoegd aan het gebruikelijk loon.

Afroommethode

Het standpunt dat de belastingdienst inneemt is dat de holding-BV de ontvangen managementvergoeding(en), die de werk-BV’s aan de holding-BV betaald, moet doorbetalen aan de DGA. Dit standpunt wordt ingenomen omdat wordt aangenomen dat managementvergoedingen in zijn geheel vergoedingen zijn voor arbeid van de DGA.

Dit zorgt er voor dat de belastingdienst in sommige gevallen de ‘afroommethode’ mag toepassen. Bij de ‘afroommethode’ wordt het gebruikelijk loon vastgesteld op 75% van de omzet van de BV, als de omzet in totaal te danken is aan de arbeid van de DGA. De rechter is het hier echter steeds vaker niet mee eens en kan de belastingdienst hierin tegenhouden.

Samengevat

Bij de managementvergoeding tussen de holding- en werk-BV is het van belang een bepaling op te nemen waaruit blijkt dat de managementvergoeding die betaald wordt niet alleen betrekking heeft op de vergoeding voor arbeid van de DGA. Het is mogelijk nog beter om twee losse overeenkomsten te sluiten. In de ene staan afspraken over de vergoeding voor de arbeid verricht door de DGA en in de ander staan afspraken voor vergoedingen voor overige diensten die de holding-BV verricht zoals doorbelasting van kosten.

 

Aankoop elektrische auto in 2018, bijtelling van 4% tot 2023

Ondernemers die van plan zijn om een elektrische auto te rijden kunnen deze het beste aanschaffen in 2018. Dan profiteert u nog van de lage bijtelling van 4% tot 2023.

De vraag of het aanschaffen van een elektrische auto nog wel zo’n goed idee is, vanwege de veranderende fiscale bijtelling in de komende jaren, speelt bij veel ondernemers.

Momenteel zijn er fiscale voordelen wat het rijden van een elektrische auto voor ondernemers stimuleert. De overheid is echter van plan om deze fiscale voordelen vanaf 2019 te beperken. Vanaf 2019 geldt er een hogere bijtelling voor elektrische auto’s duurder dan €50.000,- . Voor het meerdere, boven €50.000,-, geldt er een bijtelling van 22% in plaats van 4%.

Dit is slechts het begin van het opschroeven van de bijtelling van elektrische auto’s. Vanaf 2021 wordt er geen onderscheid meer gemaakt tussen elektrische en niet elektrische auto’s. Er wordt dan voor elke auto een bijtelling van 22% gerekend.

Bij de aankoop van de auto wordt de bijtelling vastgesteld voor de duur van vijf jaar. Omdat 2018 het laatste jaar is dat iedere elektrische auto nog een lage bijtelling van 4% geniet, zou dit tot 2023 vast staan.

De bijtelling die van toepassing is op een auto is gebonden aan het kenteken. De ver- of aankoop van een elektrische auto is daarom niet van invloed op de bijtelling. Bij het kopen van een elektrische auto neemt u dus de daarbij behorende lage bijtelling ook over. Het is in dit geval wel van belang om te controleren hoelang de resterende periode van lage bijtelling nog duurt.

Ook zijn er nog overige kosten die gaan veranderen:

  • Momenteel hoeft u geen motorrijtuigenbelasting te betalen voor volledig elektrische auto’s. Ook de motorrijtuigenbelasting voor een plug-inhybride is gereduceerd, in dit geval tot de helft van normale motorrijtuigenbelasting. Deze regeling blijft waarschijnlijk bestaan tot 2021. Vanaf 2021 is de motorrijtuigenbelasting voor elke auto hetzelfde, ook bij aanschaf voor 2021.
  • Momenteel hoeft u geen BPM te betalen voor volledig elektrische auto’s. Dit blijft waarschijnlijk ook tot 2021.

 

 

Belastingplan 2019

Wijziging voor alle belastingplichtigen

Invoeren tweeschijvenstelsel

In de inkomstenbelasting wordt geleidelijk een tweeschijvenstelsel ingevoerd met een basistarief voor het inkomen tot en met € 68.507 en een toptarief voor het inkomen boven € 68.507. In 2021 is het basistarief 37,05 procent. Het nieuwe toptarief komt uit op 49,5 procent.

In 2019 wordt het tarief van de huidige eerste schijf 36,65 procent en de tweede en derde schijf 38,10 procent.

Afbouwen tarief aftrekposten

Met ingang van 1 januari 2020 zal het tarief voor de aftrek van de kosten met betrekking tot een eigen woning versneld worden afgebouwd. De afbouw gaat daardoor van 0,5%-punt per jaar naar 3%-punt per jaar. Het aftrektarief moet per 1 januari 2023 op 37,05 procent uitkomen.

Naast de hypotheekrenteaftrek zal het bovengenoemde afbouwtraject vanaf 2020 ook gaan gelden voor de persoonsgebonden aftrek, denk hierbij aan bijvoorbeeld alimentatie en giften.

Let op
De tariefmaatregel is alleen van toepassing op belastingplichtigen die, als geen rekening zou worden gehouden met de hiervoor genoemde posten, in de hoogste schijf (in 2020 een inkomen van meer dan € 68.507) belast worden.

Verlagen percentage eigenwoningforfait

Het kabinet komt met een verlaging van het (basis)percentage van het eigenwoningforfait voor woningen met een eigenwoningwaarde van meer dan € 75.000.

De verlaging vindt plaats in drie stappen van elk 0,05%-punt in de jaren 2020, 2021 en 2023. De percentages voor woningen met een eigenwoningwaarde van € 75.000 of minder worden in die jaren verhoudingsgewijs verlaagd, op basis van de reeds bestaande factor van respectievelijk:

  • 0,4 voor woningen met een eigenwoningwaarde tussen € 12.500 en € 25.000,
  • 0,6 voor woningen met een eigenwoningwaarde tussen € 25.000 en € 50.000 en
  • 0,8 voor woningen met een eigenwoningwaarde tussen € 50.000 en € 75.000.

Let op
De verlaging van het percentage van het eigenwoningforfait is niet van toepassing op de bijtelling privégebruik woning die geldt voor woningen die tot het ondernemingsvermogen in de inkomstenbelasting worden gerekend.

Verhogen algemene heffingskorting

De maximale algemene heffingskorting wordt geleidelijk verhoogd tot € 2.477 in 2019, € 2.642 in 2020 en € 2.753 in 2021.

Wijzigingen arbeidskorting

Het kabinet is van plan het maximum van de arbeidskorting te verhogen, de arbeidskorting over een langer inkomenstraject op te laten lopen en steiler af te bouwen. Hierdoor zal de maximale arbeidskorting in 2021 € 3.945 bedragen (een stijging van € 545). Deze wordt bereikt bij een inkomen van ongeveer € 36.000. De arbeidskorting wordt vanaf daar met een percentage van 6 procent afgebouwd, waardoor de arbeidskorting bij een inkomen van iets meer dan € 100.000 op nihil uitkomt.

Inkomensafhankelijke combinatiekorting aantrekkelijker

De inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt zodanig aangepast dat het aantrekkelijker wordt om meer uren te gaan werken. Voorgesteld wordt de opbouw van de inkomensafhankelijke combinatiekorting gelijkmatiger te laten plaatsvinden. De opbouw verloopt vanaf het drempelinkomen geleidelijk vanaf nihil in plaats van vanaf een vast bedrag. Het opbouwpercentage stijgt naar 11,45 procent, maar de maximale inkomensafhankelijke combinatiekorting blijft gelijk, waardoor de maximale inkomensafhankelijke combinatiekorting al bij een lager inkomen wordt bereikt.

Verhogen algemene heffingskorting

De algemene heffingskorting wordt in 2019 met € 44 extra verhoogd. Dit komt bovenop de verhoging van € 140 uit het regeerakkoord.

Belasting op aardgas omhoog, elektriciteit goedkoper

Per 1 januari 2019 zal de belasting op vervuilende energie (aardgas) omhoog gaan. De belasting op schonere energie (elektriciteit) gaat omlaag.

Conserverende aanslag lijfrente en pensioen

De grondslag die bij conserverende aanslagen voor pensioenen en lijfrenten in de heffing wordt betrokken, wordt gecompartimenteerd. Dit is in overeenstemming met de beslissing van de Hoge Raad. Het gaat hierbij om het feit dat in deze grondslag mede uitgaven voor lijfrenteaanspraken of niet tot het loon gerekende aanspraken en bijdragen ingevolge een pensioenregeling zijn opgenomen die betrekking hebben op bepaalde nader omschreven perioden en sprake is van een exclusieve woonstaatheffing.

Aanpassen regeling belastingrente

Voor de inkomstenbelasting zal worden geregeld dat geen belastingrente in rekening wordt gebracht indien de aangifte wordt ingediend voor 1 mei en de aanslag conform die aangifte wordt vastgesteld.

Voor de erfbelasting zal gelden dat, indien tijdig een verzoek om een voorlopige aanslag of tijdig aangifte wordt gedaan, geen belastingrente in rekening wordt gebracht. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat de (voorlopige of de definitieve) aanslag erfbelasting wordt vastgesteld overeenkomstig het ingediende verzoek, dan wel overeenkomstig de ingediende aangifte.

Fiscale aansprakelijkheid begunstigden

Het kabinet gaat begunstigden van een onverplichte handeling waardoor de Belastingdienst is benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheden fiscaal aansprakelijk stellen. De aansprakelijkheid strekt zich niet verder uit dan tot het bedrag van de begunstiging.

De begunstigde is aansprakelijk als voldaan is aan de volgende drie (cumulatieve) vereisten:

  1. De handeling die leidt tot begunstiging is onverplicht verricht, dat wil zeggen dat daartoe geen rechtsplicht bestond.
  2. De Belastingdienst is door die handeling benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheden.
  3. De belastingschuldige en de begunstigde wisten of behoorden te weten dat van het verrichten van de handeling benadeling van de Belastingdienst het gevolg zou zijn (wetenschap van benadeling).

Uitbreiden verhaalsmogelijkheden op erfgenamen

Het kabinet stelt voor om het maximumbedrag waarvoor erfgenamen aansprakelijk zijn te verhogen. De aansprakelijkheid wordt uitgebreid met het bedrag van schenkingen die de erfgenaam van de erflater heeft ontvangen, kort (180 dagen) voor diens overlijden.

Let op
De uitbreiding geldt niet voor schenkingen die zijn vrijgesteld van schenkbelasting of gevallen waarin de schenkbelasting is kwijtgescholden.

Alternatieve wijze van bekendmaking aanslag

Het kabinet komt met een alternatieve wijze van bekendmaken van belastingaanslagen aan (vermoedelijk) niet langer bestaande rechtspersonen. Het alternatief bestaat uit de uitreiking of verzending van het aanslagbiljet aan het parket van een ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarin de laatst bekende vestigingsplaats van de rechtspersoon is gelegen of bij de rechtbank Den Haag.

Uitbreiden informatieplicht

De informatieplicht gaat volgens het kabinet straks ook gelden voor potentieel aansprakelijken. Potentieel aansprakelijken zijn personen die nog niet door de Belastingdienst aansprakelijk zijn gesteld, maar ten aanzien van wie de Belastingdienst wel aanwijzingen voor aansprakelijkheid heeft.

Let op
De uitbreiding van de informatieverplichting zorgt er niet voor dat de Belastingdienst aan iedere willekeurige derde vragen kan stellen.

Wijzigingen werknemer/werkgever

Verkorten maximale looptijd 30%-regeling

Het kabinet gaat de maximale looptijd van de 30%-regeling per 1 januari 2019 verkorten met drie jaar (van maximaal acht jaar tot maximaal vijf jaar) voor zowel de nieuwe als de bestaande gevallen.

Let op
Het schoolgeld voor internationale scholen voor het schooljaar 2018/2019 dat na 1 januari 2019 wordt vergoed, blijft onbelast indien die vergoeding plaatsvindt binnen de oorspronkelijke looptijd van de 30%-regeling.

Vrijwilligersvergoeding omhoog

De maximale vergoeding die vrijwilligers belastingvrij mogen ontvangen gaat omhoog met € 200 per jaar (van € 1.500 naar € 1.700).

Fiets van de zaak vanaf 2020 aantrekkelijker

Werknemers die gebruik maken van een fiets van de zaak krijgen vanaf 2020 te maken met een forfaitaire bijtelling voor het privégebruik van de bedrijfsfiets. Dit betekent dat zij jaarlijks 7 procent van de waarde van de adviesprijs van de fiets bij hun inkomen moeten bijtellen.

Wijzigingen voor de dga

Versoberen voorwaartse verliesverrekening box 2

Het kabinet wil de voorwaartse verliesverrekeningsperiode in box 2 verkorten van negen naar zes jaar.

Verhogen box 2-tarief

Het kabinet gaat het box 2-tarief verhogen van 25 naar 26,9 proent per 2021. Dit zal in twee stappen plaats gaan vinden: met ingang van 2020 wordt het tarief met 1,25%-punt verhoogd naar 26,25 procent en met ingang van 2021 wordt het tarief met 0,65%-punt verder verhoogd naar 26,9 procent.

Nieuwe belasting voor dga met lening bij eigen bv

Het kabinet komt per 1 januari 2022 met een nieuwe belasting voor de dga. Dit houdt in dat de dga die geld leent bij zijn eigen bv, straks belasting moet gaan betalen over leningen zodra die boven de € 500.000 uitstijgen. Voor leningen die zijn afgesloten voor de eigen woning wordt nog een overgangsregeling gemaakt.

Het kabinet verwacht dat deze maatregel 23.000 dga’s zal treffen, die samen een schuld hebben van ruim 30 miljard euro aan hun bv’s. Deze nieuwe belasting zou tot gevolg kunnen hebben dat deze dga’s straks over dit bedrag ongeveer 4,5 miljard euro aan inkomstenbelasting verschuldigd zijn.

Let op
Dga’s hebben tot 1 januari 2022 de tijd om van hun schuld aan de bv af te komen voor zover deze schuld het bedrag van € 500.000 overstijgt. Zij kunnen de schuld aflossen of de schuld omzetten in een winstuitkering. Over de winstuitkering moeten de dga’s dan wel inkomstenbelasting betalen in box 2.

Wijzigingen in de omzetbelasting

Verhogen verlaagde btw-tarief

Het kabinet stelt voor het verlaagde btw-tarief te verhogen van 6 naar 9 procent.

Verruimen Nederlandse sportvrijstelling, wegvallen btw-aftrek

De Nederlandse sportvrijstelling wordt verruimd. Gemeenten en sportverenigingen krijgen te maken met aanzienlijke kostenverhogingen omdat geen recht meer bestaat op btw-aftrek. Het kabinet komt met een tegemoetkoming in de vorm van een subsidie voor sportverenigingen en een specifieke uitkering voor gemeenten.

Wijzigingen kleine ondernemingsregeling

Kleine ondernemers met maximaal € 20.000 omzet in Nederland kunnen vanaf 1 januari 2020 kiezen voor een vrijstelling van omzetbelasting. Dit betekent dat deze ondernemers geen btw in rekening brengen aan hun afnemers en dus ook geen btw meer mogen vermelden op hun facturen. Deze kleine ondernemers zijn daarnaast ook ontheven van het doen van btw-aangiften en bijbehorende administratieve verplichtingen. Daar staat tegenover dat deze ondernemers de btw die andere ondernemers aan hun in rekening brengen niet in aftrek kunnen brengen. De regeling geldt alleen voor in Nederland verrichte goederenleveringen en diensten.

Let op
De bovengenoemde regeling gaat ook gelden voor bijvoorbeeld stichtingen, verenigingen en bv’s.

Wijzigingen voor de bv

Verlagen tarief vennootschapsbelasting

Het kabinet stelt voor dat het tarief van de vennootschapsbelasting per 1 januari 2019 stapsgewijs omlaag gaat.

2019 2020 2021
eerste schijf (voor winsten tot en met € 200.000) 19% 17,5% 16%
tweede schijf (voor winsten vanaf € 200.000) 24,30% 23,90% 22,25%

 

Beperken afschrijving gebouwen in eigen gebruik

Het kabinet beslist dat de bv gebouwen in eigen gebruik alleen nog kan afschrijven als die in de boeken staan voor een bedrag hoger dan de WOZ-waarde. Op dit moment kan worden afgeschreven tot 50 procent van de WOZ-waarde.

Versoberen voorwaartse verliesverrekening

Het aantal jaren dat een bv de verliezen voorwaarts kan verrekenen, wordt aangepast van negen naar zes jaar. Dit zal voor het eerst gelden voor verliezen geleden in 2019.

Let op
Verliezen geleden in 2019 kunnen dus uiterlijk tot en met 2025 worden verrekend.

Afschaffen dividendbelasting

Het kabinet wil de dividendbelasting vanaf 2020 afschaffen.

Invoeren bronbelasting

Het kabinet gaat vanaf 2020 een bronbelasting invoeren op dividend-, interest- en royaltybetalingen door in Nederland gevestigde lichamen aan in een laagbelastende jurisdictie gevestigde gelieerde lichamen en in misbruiksituaties.

De invoering van deze zogenoemde conditionele bronbelastingen is voorzien in twee stappen. Allereerst zal per 2020, gelijktijdig met de afschaffing van de dividendbelasting, de conditionele bronbelasting op dividend worden ingevoerd. Hierdoor blijven dividenduitkeringen binnen concernverband aan lichamen gevestigd in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties belast. Daarna zal per 2021 de conditionele bronbelasting op interest en royalty’s van kracht worden.

Specifieke aftrekbeperkingen vervangen door earningsstrippingmaatregel

Het kabinet wil de specifieke renteaftrekmaatregelen afschaffen en de earningsstrippingmaatregel invoeren. Voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel wordt de vraag of rente aftrekbaar is vanaf 1 januari 2019 bepaald aan de hand van een algemene norm. Als rente is maximaal 30 procent van de winst aftrekbaar vóór rente, belastingen, afschrijvingen en amortisatie (EBITDA).

Toekomst fiscale beleggingsinstellingen

Met het afschaffen van de dividendbelasting in 2020 vervalt automatisch ook de afdrachtvermindering voor fiscale beleggingsinstellingen in de dividendbelasting. Daarnaast mogen fiscale beleggingsinstellingen vanaf 2020 niet meer direct in Nederlands vastgoed beleggen (vastgoedmaatregel) in verband met het afschaffen van de dividendbelasting.

Wijzigingen voor de ondernemer

Afbouw tarief aftrekposten

Het kabinet is van plan om de aftrek van kosten van ondernemers in de inkomstenbelasting te beperken. Het kabinet zal met ingang van 1 januari 2020 het tarief waartegen de kosten in aftrek kunnen worden gebracht, afbouwen met jaarlijkse stapjes van 3%-punt. Met ingang van 2023 zijn die aftrekposten dan enkel nog aftrekbaar tegen het tarief van de eerste schijf van 37,05 procent.

Voor de volgende posten zal het tarief worden afgebouwd:

  • de ondernemersaftrek, bestaande uit de zelfstandigenaftrek, de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, de meewerkaftrek, de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid en de stakingsaftrek;
  • de MKB-winstvrijstelling, mits het gezamenlijke bedrag van de met de ondernemersaftrek verminderde winst positief is;
  • de terbeschikkingstellingsvrijstelling, mits het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit werkzaamheden positief is.

Verlagen energie-investeringsaftrek

De energie-investeringsaftrek wordt voortgezet en met ingang van 1 januari 2019 verlaagd van 54,5 naar 45 procent.

Voortzetten milieu-investeringsaftrek en willekeurige afschrijving op milieubedrijfsmiddelen

Ook de milieu-investeringsaftrek en de willekeurige afschrijving op milieubedrijfsmiddelen worden voortgezet tot 1 januari 2024. Zonder wetswijziging zouden deze maatregelen automatisch per 1 januari 2019 komen te vervallen.

(Bron: NBA)

De handhaving van de Wet DBA is uitgesteld tot 1 januari 2020

Vanaf 1 mei 2016 geldt de Wet DBA. Nog voordat de wet in werking zou treden, was er al flinke maatschappelijke onrust. Opdrachtgevers en opdrachtnemers vonden de regels te onduidelijk en dus de risico’s dat de feiten anders dan bedoeld zouden worden uitgelegd te groot. De ‘handhaving’ werd daarom uitgesteld tot juli 2018. Dat betekent dat de Belastingdienst bij een controle op naleving van de Wet DBA het verleden niet corrigeert tenzij er sprake is van een zogenaamde ‘kwaadwillige’. Handhaving zal zich eerst richten op de ernstige gevallen, u moet dan denken aan opzet, fraude of zwendel.

Inmiddels zijn we in 2018 en we weten nog niet met welke regels de Wet DBA vervangen zal worden. Voorlopig worden er nog veel gesprekken gevoerd met organisaties van belanghebbenden. Omdat het naar verwachting nog tot 2020 gaat duren voordat er een nieuwe wet komt en de handhaving was uitgesteld tot 1 juli 2018, zou controle op de Wet DBA na 1 juli van dit jaar wel mogelijk worden. In het regeerakkoord was al aangekondigd dat verder uitstel zou volgen. Nu verlengt de minister van Sociale Zaken het uitstel van de handhaving tot in ieder geval 1 januari 2020. Wel geeft hij daarbij aan dat de Belastingdienst vanaf 1 juli 2018 in meer gevallen kan ingrijpen dan voor 1 juli 2018. Er wordt echter niet speciaal op dit punt gecontroleerd. Alleen wanneer er om een andere reden een controle plaatsvindt, dan wordt dit punt meteen meegenomen.

De Belastingdienst mag na 1 juli 2018 ingrijpen indien er aan alle drie de volgende eisen is voldaan (naast elkaar):

  1. er is sprake van een (fictieve) dienstbetrekking (in de visie van de Belastingdienst). Dit is logisch: zonder dienstbetrekking is er immers geen enkele reden om op grond van de Wet DBA te corrigeren. Dit is dus niet echt een zware eis;
  2. er is sprake van evidente schijnzelfstandigheid. Wat hiermee bedoeld wordt, is ons niet duidelijk. Wij gaan er voorlopig van uit dat de norm moet worden gelezen als: wat denkt een buitenstaander als hij deze feiten hoort? Denk aan iemand die fulltime als zelfstandige voor een opdrachtgever aan de slag is, ook al gedurende meerdere jaren, met name in de situatie dat deze zelfstandige eigenlijk liever werknemer zou worden maar niet in de positie verkeert dit af te dwingen;
  3. er is sprake van opzettelijke schijnzelfstandigheid. Met andere woorden: partijen moeten zich bewust zijn geweest van het feit dat er mogelijk sprake is van schijnzelfstandigheid. De staatssecretaris van Financiën heeft tegen de pers gezegd dat er ook sprake is van opzet indien een situatie is voorgelegd en de Belastingdienst meerdere keren heeft aangegeven dat er naar zijn mening sprake is van schijnzelfstandigheid.

De handhaving van de Wet DBA is uitgesteld tot 1 januari 2020. Alleen in gevallen van evidente en opzettelijke schijnzelfstandigheid mag de Belastingdienst ingrijpen. Daarbij moet de Belastingdienst dan wel bewijzen dat hiervan sprake is.

Kapitaal of (on)zakelijke lening

Op 9 mei 2008 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen over vorderingen tussen gelieerde personen. Sinds die uitspraak is er een levendige discussie ontstaan over de fiscale gevolgen van financieren van ondernemingen: vormt het verschaffen van middelen een kapitaalstorting (eigen vermogen) of is het een lening (vreemd vermogen). En als het een lening is, is het dan een zakelijke lening of een onzakelijke lening.

De kwalificatie van deze vorderingen is onder andere van belang voor enerzijds de aftrekbaarheid bij afwaarderingen en anderzijds de aftrekbaarheid / belastbaarheid van betaalde / ontvangen rente. De kern van het vraagstuk is of door de betrokken partijen wel zakelijk is gehandeld.

De vraag is dus hoe om te gaan met de financieringen van ondernemingen?

Eerst 3 zaken beoordelen:

  1. Formeel kapitaal of een formele lening

Eerst moet bepaald worden of sprake is van een formele kapitaalverstrekking of van een formele lening. Als een kapitaalvennootschap nieuwe aandelen uitgeeft die worden volgestort door de aandeelhouder, dan is er sprake van formeel kapitaal. Uitgifte van aandelen kan alleen via een notariële akte. Als een aandeelhouder meer op de aandelen stort dan de nominale waarde van de aandelen bedraagt, dan is voor het meerdere sprake van agio. Agio is ook formeel kapitaal. Een aandeelhouder kan ook op al eerder uitgegeven aandelen extra eigen vermogen storten, ook dat is agio. Het storten van agio op bestaande aandelen hoeft niet via de notaris maar kan via een onderhandse akte van notulen van de Algemene Vergadering.

Als sprake is van formeel kapitaal dan is geen rente verschuldigd en wordt het rendement op het vermogen, bij uitkering hiervan, gezien als dividend. Als de dividendgenieter een natuurlijk persoon is, dan valt dat dividend in box 2 als hij in beginsel ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal heeft. Anders vallen de aandelen in box 3. De aandeelhouder/natuurlijk persoon kan bij tegenvallende resultaten van de BV in beginsel fiscaal geen verlies nemen op zijn aandelen. Alleen als sprake is van box 2 aandelen kan een verlies worden genomen bij verkoop of liquidatie van de vennootschap waarin wordt deelgenomen tot ten hoogste de fiscale verkrijgingsprijs van die aandelen. Eerder verlies nemen kan niet.

Als de dividendgenieter een andere BV is, dan valt dat dividend in beginsel onder de deelnemingsvrijstelling als die andere BV ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal bezit, wat vaak het geval is.

De aandeelhouder/BV kan in bij tegenvallende resultaten van de BV fiscaal ook geen verlies op haar deelneming nemen. Een verlies op een deelneming kan in beginsel alleen worden genomen bij liquidatie van de vennootschap waarin wordt deelgenomen tot ten hoogste het voor die deelneming opgeofferde bedrag.

Als er geen sprake is van een uitgifte van aandelen (via een notariële akte) of storting van agio op bestaande aandelen (via notulen van een Algemene Vergadering) is formeel sprake van een lening. Een lening is een geldbedrag dat door een partij wordt verstrekt aan een andere partij op voorwaarde dat het later terug wordt betaald. Een lening dient in beginsel aan een aantal voorwaarden te voldoen:

  • er is sprake van een schriftelijke akte;
  • de lening is aangegaan met een bepaalde looptijd;
  • er is een rente overeengekomen;
  • er is iets bepaald ten aanzien van aflossingen;
  • er is iets bepaald inzake zekerheden.
  1. Fiscale toets van de lening

Als er een lening is verstrekt die civielrechtelijk als lening kwalificeert, dan kan het zijn dat men de lening fiscaal toch als kapitaal aanmerkt. Dit wordt informeel kapitaal genoemd. Dit komt voor in drie situaties:

  • er is sprake van een schijnlening;
  • er is sprake van een bodemloze put lening;
  • er is sprake van een deelnemerschapslening.

Een schijnlening is een lening die niet beoogd is om als lening te zijn verstrekt. Men had bij het verstrekken het oogmerk om kapitaal te verschaffen.

Een bodemloze put lening is een lening die verstrekt wordt aan een vennootschap die verlies maakt en waarvan men eigenlijk van het begin af aan redelijkerwijs kan verwachten dat deze niet wordt terugbetaald.

Een deelnemerschapslening is een lening waarvan de vergoeding of terugbetaling afhankelijk is van de winst van de vennootschap.

Informeel kapitaal wordt in de jaarrekening als “lening” gepresenteerd. Maar als sprake is van informeel kapitaal dan wordt de lening fiscaal als “kapitaal” beschouwd. Eventuele rentebetalingen worden aangemerkt als dividend en zijn dus niet aftrekbaar of belast en alle regels van een kapitaalverstrekking zijn van toepassing.

  1. De zakelijkheidstoets

De laatste stap is de moeilijkste. Als ook fiscaal sprake is van een lening dan moet nog beoordeeld worden of de lening zakelijk of onzakelijk is.

Bij zowel zakelijke als bij onzakelijke leningen wordt rente fiscaal ook als rente bij leningen behandeld: belast bij de ontvanger en aftrekbaar bij de betaler. Maar de afwaardering is in beginsel alleen bij zakelijke leningen aftrekbaar. En bij onzakelijke leningen wordt de afwaardering behandeld alsof sprake is van kapitaal.

Om te komen tot een zakelijke lening moeten de eerdergenoemde voorwaarden allemaal vervuld worden:

  1. er moet een schriftelijke akte worden opgesteld. Het verdient aanbeveling om de akte op te maken vóórdat de lening wordt verstrekt. Let hierbij op dat er in een situatie waarin er een tegenstrijdig belang kan bestaan (één aandeelhouder) eerst een besluit genomen moet worden door de Algemene Vergadering. Dit besluit moet worden vastgelegd in notulen;
  2. de lening moet een vaste looptijd hebben. Hoe langer de looptijd hoe meer een lening naar kapitaal gaat neigen. Een lening met een onbepaalde looptijd zal niet snel als zakelijk worden aangemerkt;
  3. er moet een bepaling worden opgenomen ten aanzien van de aflossingen. Bij een aflossingsvrije lening zal deze aan het einde van de looptijd ineens moeten worden afgelost;
  4. er moet een zakelijke rente worden overeengekomen die door een derde onafhankelijke partij ook berekend zou worden als deze de lening onder verder dezelfde condities zou verstrekken;
  5. een geldverstrekker zal zekerheid wensen ten aanzien van de rentebetalingen en aflossingen. Hoe minder zekerheden er worden verstrekt hoe onzakelijker de lening wordt.

Bij het beoordelen van de zakelijkheid van een lening komen bovenstaande aspecten aan de orde.

 

De conclusie

Conclusie: zakelijk

Als aan alle voorwaarden wordt voldaan dan is er sprake van een zakelijke lening en is er niets aan de hand. De normale fiscale regels van leningen zijn van toepassing. De rente is belast en aftrekbaar. Als de schuldenaar in de financiële problemen komt waardoor de kans op terugbetaling van de lening afneemt, dan mag de schuldeiser de vordering op basis van goed koopmansgebruik afwaarderen. Het voorzichtigheidsbeginsel staat dit toe.

Tussentijds toetsen

Een zakelijke lening kan gedurende de looptijd onzakelijk worden. Op het moment dat de hoofdsom verhoogd wordt, de rente niet meer betaald kan worden of dat de aflossingen staken moet er opnieuw beoordeeld worden of de lening wellicht onzakelijk wordt. Als de schuldeiser geen actie onderneemt om de vordering veilig te stellen, dan zou de lening op dat moment onzakelijk kunnen worden. Het gevolg daarvan is dat de vordering niet afgewaardeerd mag worden. Het is dus in de dagelijkse praktijk van belang om het verloop van leningen te blijven volgen en indien nodig actie te ondernemen.

Conclusie: onzakelijk

Uit de jurisprudentie valt af te leiden dat er sprake is van een onzakelijke lening als de geldverstrekker een debiteurenrisico loopt dat een derde niet zou hebben genomen en de vennootschap dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van de schuldenaar te dienen.

Dit debiteurenrisico kan de hoofdsom en de rente betreffen. Ten aanzien van de rente heeft de Hoge Raad bepaald dat vastgesteld moet worden of er een rente vast te stellen is waartegen een derde onder verder de dezelfde voorwaarden en omstandigheden een lening zou verstekken. Als die rente bepaald kan worden wordt de lening zakelijk.

 

4 vormen van financieren belicht:

  1. Financieren van dochtervennootschap door moedervennootschap (lening omlaag)

De voordelen van een lening “omlaag” vallen onder de totaalwinst van een vennootschap. Dit betekent dat er gewoon sprake is van een lening die tot het ondernemingsvermogen behoort. Het maakt daarbij niet uit of de lening zakelijk of onzakelijk is. Als de lening onzakelijk is dan is een verlies op de vordering echter niet aftrekbaar van de winst. Op het moment dat het onzakelijke debiteurenrisico zich voordoet (de lening wordt kwijtgescholden of de schuldenaar wordt ontbonden) dan worden de voor– en nadelen in de kapitaalsfeer afgewikkeld. Een verlies op een onzakelijke lening verhoogt het opgeofferd bedrag in de debiteur. Dit betekent dat er pas een mogelijk fiscaal verlies optreedt bij kwijtschelding van de lening of liquidatie van de debiteur.

  1. Financieren van moedervennootschap door dochtervennootschap (lening omhoog)

De voordelen van een lening “omhoog” vallen onder de totaalwinst. De betaalde rente is aftrekbaar en de ontvangen rente is belast. Bij een onzakelijke lening is het verlies niet aftrekbaar. De aandeelhouder wordt geachte te zijn bevoordeeld en de onzakelijke lening wordt als een onttrekking of winstuitdeling aangemerkt.

  1. Financieren van zustervennootschap (lening opzij)

Bij een onzakelijke lening opzij moet getoetst worden of de crediteur onzakelijk heeft gehandeld teneinde het belang van de gezamenlijke moedervennootschap te dienen. In de literatuur is men het niet helemaal eens over de kwalificatie en de fiscale gevolgen. Als er onzakelijk is gehandeld dan wordt men verondersteld de moedervennootschap te bevoordelen en zou de afwaardering leiden tot een winstuitdeling aan de moedervennootschap op het moment van afwaardering. Dit is vergelijkbaar met de lening omhoog. Vervolgens zou er dan sprake zijn van een storting in de debiteur/dochtervennootschap door de moedervennootschap op het moment van kwijtschelding of liquidatie van die dochtervennootschap. Dit is vergelijkbaar met de lening omlaag.

Voor de praktijk is het dus van belang om na te gaan of er zakelijk wordt gehandeld tussen zustervennootschappen en of er niet zodanig gehandeld wordt dat eigenlijk het belang van de moedervennootschap wordt gediend.

  1. Financieren van eigen BV door DGA

In de jurisprudentie wordt bovenstaande problematiek één op één toegepast op de directeur groot aandeelhouder die een TBS-vordering heeft op zijn eigen vennootschap. Alhoewel niet alle schrijvers het hiermee eens zijn gaat men ervan uit dat ook een TBS vordering bovenstaande stappen moet doorlopen. Als er sprake is van een onzakelijke vordering mag deze niet ten laste van het inkomen worden gebracht in box 1. De onzakelijke lening verhoogt de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang in box 2 en kan pas tot verlies uit aanmerkelijk belang leiden bij liquidatie van de vennootschap.

 

Tot slot:

  1. Bestaande situaties

Voor de praktijk is het bijzonder belangrijk om alle vormen van de concernfinanciering te toetsen. Het is belangrijk om na te gaan of alle afspraken zakelijk zijn en het is belangrijk om periodiek te toetsen of alle afspraken uit de leningsovereenkomst worden nagekomen. Op het moment dat daaraan getwijfeld wordt is het noodzaak om de cliënt te wijzen op de mogelijke gevolgen. Daar waar mogelijk is het raadzaam om de lening zakelijk te maken of bijvoorbeeld om te zetten in kapitaal.

Uit de jurisprudentie blijkt dat dezelfde toetsingscriteria gelden bij borgstellingen door een directeur groot aandeelhouder voor schulden van de vennootschap. Als blijkt dat er op onzakelijke gronden is gehandeld zal een verlies uit borgstelling niet aftrekbaar zijn in box 1. Het verlies kan pas bij liquidatie van de vennootschap in box 2 als verlies uit aanmerkelijk belang in aanmerking worden genomen.

  1. Nieuwe situaties

Voor nieuwe situaties is het belangrijk om een goede afweging te maken op welke wijze een onderneming gefinancierd moet worden. Een keuze tussen eigen vermogen of vreemd vermogen of een mengvorm daarvan is belangrijk. Als gekozen wordt voor een lening is het belangrijk om alle elementen in de afweging mee te nemen. De aflossingstermijn en de rente zijn in de praktijk vaak moeilijk te bepalen. De looptijd kan op basis van een goede prognose ingevuld worden. Voor de hoogte van de rente moeten de overige omstandigheden mee beoordeeld worden. Het verdient aanbeveling om op de hoogte te blijven van ontwikkelingen op het gebied van financieringen. Naast banken zijn er tegenwoordig steeds meer vormen van financiering mogelijk. Denk hierbij aan crowdfunding en informal investors. Bij elke vorm van financiering speelt de mate van zekerheid een belangrijke rol. Probeer in ieder geval na te gaan of er zekerheid verstrekt kan worden.

Vervanger VAR komt pas per 1 april 2016

 

Het nieuwe systeem van goedgekeurde overeenkomsten , dat de huidige Verklaring arbeidsrelatie (VAR)moet vervangen, komt pas per 1 april 2016. Daarnaast heeft u heel 2016 de tijd om uw werkwijze aan te passen.

Staatssecretaris Wiebes van Financiën heeft in zijn reactie op Kamervragen aangegeven dat de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties<https://www.rendement.nl/ondernemen/wet-deregulering-beoordeling-arbeidsrelaties> niet per 1 januari 2016, maar waarschijnlijk pas per 1 april 2016 het systeem van de VAR<https://www.rendement.nl/ondernemen/var> gaat vervangen. Dit geeft de Belastingdienst extra tijd om overeenkomsten tussen opdrachtgevers en opdrachtnemers te beoordelen en modelcontracten online te zetten.

In 2016 niet handhavend optreden

De staatssecretaris geeft ondernemingen ook extra voorbereidingstijd. U krijgt heel 2016 om uw werkwijze aan te passen. In 2016 houdt de Belastingdienst wel toezicht, maar zal niet handhavend optreden. Totdat u en uw opdrachtnemers met een goedgekeurde overeenkomst werken, blijft de bestaande VAR gewoon geldig. Per 1 januari 2017 is de wenperiode voorbij en moet iedereen over zijn op het nieuwe systeem.

Publiceren van goedgekeurde contracten

Alle door de fiscus goedgekeurde contracten worden geanonimiseerd gepubliceerd. De lijst met voorbeeldovereenkomsten die u kunt gebruiken, wordt dus steeds langer. Daarnaast heeft de Belastingdienst in samenwerking met werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland drie algemene modelovereenkomsten gepubliceerd die in veel situaties bruikbaar zijn. Het gaat om:

 

*   situaties waarin gezag van de werkgever ontbreekt: modelovereenkomst geen werkgeversgezag<https://www.rendement.nl/tools/voorbeeld-modelovereenkomst-algemeen–geen-werkgeversgezag>;

*   situaties van tussenkomst van een intermediair: modelovereenkomst tussenkomst<https://www.rendement.nl/tools/voorbeeld-modelovereenkomst-algemeen–tussenkomst>;

*   situaties waarin de werknemer niet verplicht is persoonlijk de arbeid te verrichten: modelovereenkomst vrije vervanging<https://www.rendement.nl/tools/voorbeeld-modelovereenkomst-algemeen–geen-verplichting-tot-persoonlijke-arbeid>.

Als u en uw opdrachtnemers één van deze overeenkomsten gebruiken en er ook daadwerkelijk volgens de overeenkomst gewerkt wordt, loopt u niet het risico om achteraf alsnog voor de loonheffingen op te draaien<https://www.rendement.nl/nieuws/id16844-naheffing-of-correctie-bij-alternatief-var.html>.

 

 

 

 

 

 

(meer…)

Vernieuwde arbeidscontracten

Er zijn nieuwe regels voor arbeidscontracten vanaf 2015:

  • Vanaf 1 januari 2015 gaan er nieuwe regels gelden voor de proeftijd:
  •  contract van zes maanden of korter: geen proeftijd;
  •  contract langer dan zes maanden en korter dan twee jaar: proeftijd van één maand;
  •  contract langer dan twee jaar: proeftijd van twee maanden.

Bij een contract van zes maanden en één dag mag u wel een proeftijd afspreken.

  • Vanaf 1 januari 2015 gaan er nieuwe regels gelden voor geen werk (loondoorbetalingsplicht). In de arbeidsovereenkomst mag u opnemen dat u de eerste zes maanden van het contract niets hoeft te betalen als de werknemer niet kan werken (bijvoorbeeld onwerkbaar weer). De CAO mag alleen een uitzondering maken voor bepaalde functies.
  • Vanaf 1 januari 2015 gaan er nieuwe regels gelden voor concurrentiebedingen bij tijdelijke contracten. In een tijdelijk contract kan slechts een concurrentiebeding worden opgenomen als in de overeenkomst gemotiveerd wordt dat zwaarwichtige bedrijfs- of dienstbelangen een concurrentiebeding vereisen. Als die motivering ontbreekt, dan is het beding niet geldig (nietig). Een concurrentiebeding mag alleen worden overeengekomen met een werknemer van 18 jaar of ouder.
  • Vanaf 1 januari 2015 gaan er regels gelden voor de aanzegplicht voor tijdelijke contracten van zes maanden en langer. (Het contract eindigt na 31 januari 2015)

Als uw werknemer bij u werkt op basis van een tijdelijk arbeidcontract, moet u hem vanaf 1 januari 2015 minimaal 1 maand voor het einde van zijn contract schriftelijk mededelen of u het contract verlengt en zo ja, onder welke voorwaarden. Dit kan worden opgenomen in de arbeidsovereenkomst. Als u te laat aanzegt bent u schadeplichtig. De schadevergoeding is maximaal één maandsalaris. (twee weken te laat = twee weken schadevergoeding).

Vanaf 1 juli 2015 gaan de regels over de ketenregeling veranderen (geldt niet voor werknemers tot 18 jaar met een gemiddelde arbeidstijd van 12 uur per week).

Tot 1 juli 2015: Een werkgever mag drie keer een contract voor bepaalde tijd afsluiten tot een maximum van drie jaar waarbij de keten voor maximaal drie maanden onderbroken mag worden.

Vanaf 1 juli 2015: Een werkgever mag drie keer een contract voor bepaalde tijd afsluiten tot een maximum van twee jaar waarbij de keten voor maximaal zes maanden onderbroken mag worden.

Als het tweede contract eindigt na 1 juli 2015 en u wil niet dat de werknemer een vast contract krijgt, dan kunt u ervoor kiezen om het contract open te breken en per 1 juni 2015 een nieuw contract aanbieden. De tijdelijke contracten mogen maximaal drie jaar duren, indien het laatste contract voor 1 juni 2015 wordt afgesloten.

Indien de onderbrekingstermijn korter is dan zes maanden en het tweede contract gaat in op 1 juli 2015, dan mag het tweede contract maximaal xx maanden duren. xx = 24 maanden – xx maanden van het eerste contract – xx maanden van de onderbrekeningstermijn.

De CAO mag afwijken van het maximaal aantal contracten en de maximale totale duur.

  • Het ontslagrecht wordt per 1 juli 2015 aangepast.
  • Opzegging na toestemming UWV:

* bedrijfseconomische ontslagen

* het ontslag van een langdurige arbeidsongeschiktheid (langer dan twee jaar)

  • Ontbinding door kantonrechter:

* ontslag gelegen in persoonlijke sfeer van de werknemer (disfunctioneren of verstoorde arbeidsrelatie andere                     grondslagen

De beëindiging met wederzijds goedvinden moet schriftelijk worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Hierin moet de bedenktijd van twee weken worden vermeld, anders wordt de bedenktijd drie weken. Het advies is om een vaststellingsovereenkomst begin van de maand cq. een loonperiode  overeen te komen.

Vanaf 1 juli 2015 gaan de regels over de transitievergoeding gelden. Dit geldt niet voor:

  •  werknemers tot 18 jaar met een gemiddelde arbeidstijd van 12 uur per week
  •  wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt wegens het bereiken van de AOW- of pensioengerechtigde leeftijd
  •  wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt met wederzijds goedvinden
  • wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt door ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werknemer

Indien de arbeidsovereenkomst minimaal twee jaar heeft geduurd en op initiatief van de werkgever wordt opgezegd, ontbonden of niet wordt verlengd, dan heeft de werknemer recht op een transitievergoeding. De transitievergoeding is een opgebouwd recht vergelijkbaar met de uitbetaling van de niet genoten vakantiedagen.

  •  1/6 maandsalaris (bruto all-in salaris) per gewerkt halfjaar +
  •   Na 120 maanden: ¼ maandsalaris per gewerkt halfjaar tot een maximum van € 75.000,00, dan wel (indien dit hoger is) een jaarsalaris.

bijvoorbeeld: 12 jaar gewerkt en € 2.500,00 bruto all-in salaris => 1/6 * € 2.500,00 * 10 * 2 + ¼ * € 2.500,00 * 2 *2 = € 10.833,33 transitievergoeding

Voor kleine werkgevers is er tot 1 januari 2020 een overbruggingsregeling. De transitievergoeding hoeft niet berekend worden over de dienstjaren voor 1 mei 2013 als er sprake is van bedrijfeconomisch ontslag als gevolg van slechte financiële omstandigheden en de werkgever heeft minder dan 25 werknemers in dienst.

De wettelijke vakantiedagen vervallen met ingang van 1 juli van het volgende jaar, dit geldt ook voor zieke werknemers. Indien een zieke werknemer vakantiedagen  opneemt, moet voor deze vakantiedag 100 % van het loon worden uitgekeerd. Van de wettelijke vervalregel kan in het voordeel van de werknemer worden afgeweken in een (collectieve) arbeidsovereenkomst. De wettelijke verjaringstermijn voor de bovenwettelijke vakantiedagen is vijf jaar na het jaar waarin de dagen zijn opgebouwd.

Het is raadzaam om een arbeidsovereenkomst een eenzijdig wijzigingsbeding op te nemen (bij zwaarwichtige bedrijfsbelangen mag bijvoorbeeld de standplaats worden aangepast).

Het is verstandig om drie tijdelijke contracten aan te bieden van 7 maanden (inclusief proeftijd en aanzegtermijn) + 2 * 8 maanden = 23 maanden (geen transitievergoeding)


 

Belastingdienst

Per 1 januari 2016 niet meer rechtstreeks storten naar Belastingdienst

 ‘Rechtstreeks storten’ naar de Belastingdienst is vanaf 1 januari 2016 niet meer mogelijk, zo heeft de Belastingdienst medegedeeld. De zogenoemde WKA-depotrekeningen zijn namelijk per die datum opgeheven. Voor inleners en aannemers betekent dit dat een rechtstreekse storting hen niet meer vrijwaart van de inleners- en ketenaansprakelijkheid voor de loonheffingen. Vanaf 1 januari 2016 levert alleen een storting op een G-rekening van de uitlener of de onderaannemer nog vrijwaring. De Belastingdienst kan de aannemer of inlener niet meer aansprakelijk stellen voor het bedrag dat hij heeft gestort op die G-rekening. De Belastingdienst heeft klanten die van een WKA-depot gebruikmaken hierover geïnformeerd.

 

 

 

Wet Aanpak Schijnconstructies – WAS

Wet Aanpak Schijnconstructies | WAS

Voorstel van wet tot wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten ter verbetering van de naleving en handhaving van arbeidsrechtelijke wetgeving in verband met de aanpak van schijnconstructies door werkgevers (Wet aanpak schijnconstructies). De WAS is bedoeld om constructies aan te pakken die zijn opgezet om de regels en cao-afspraken te omzeilen. Deze zogenoemde schijnconstructies leiden vaak tot verdringing van Nederlandse werknemers. Want werkgevers kunnen zo werknemers uit het buitenland goedkoop laten werken. Bovendien ontduiken werkgevers de sociale premies met deze constructies, die ongewenst maar tot nu toe nog niet altijd illegaal waren. Goedwillende ondernemers hebben daardoor te maken met oneerlijke concurrentie.

De WAS ken diverse maatregelen:

Ketenaansprakelijkheid voor loon

Niet alleen de werkgever, maar ook de opdrachtgever wordt verantwoordelijk voor het betalen van het cao-loon. Onderbetaalde werknemers krijgen zo meer mogelijkheden om hun achterstallige loon te innen. Opdrachtgevers die weten, of moeten weten, dat een werknemer niet voldoende betaald krijgt, kunnen hiervoor aansprakelijk worden gesteld.

Wanneer is de ketenaansprakelijkheid van toepassing? De ketenaansprakelijkheid voor voldoening van het verschuldigde loon is van toepassing wanneer in een keten waarin een werknemer arbeid verricht, sprake is van een (of meer) overeenkomst(en) van opdracht of aanneming van werk. De regeling geldt alleen als de arbeid van de werknemer wordt verricht ter uitvoering van die overeenkomst(en). De ketenaansprakelijkheid geldt dus niet indien door een zelfstandige werkzaamheden worden verricht onderaan een keten. De ketenaansprakelijkheid geldt wel voor het op grond van de uitzendovereenkomst verschuldigde loon en voor andere vormen van ter beschikking stellen van arbeid. De ketenaansprakelijkheid voor voldoening van het verschuldigde loon is dus bijvoorbeeld niet van toepassing bij een koopovereenkomst. Als een cateringbedrijf wordt ingehuurd om zijn personeel in het bedrijfsrestaurant van de opdrachtgever te laten werken is de ketenaansprakelijkheid voor loon wel van toepassing. Levert het personeel van dezelfde cateraar echter ergens een bestelling af, dan is de ketenaansprakelijkheid niet van toepassing op de koper van die bestelling. In lijn hiermee is bepaald dat de ketenaansprakelijkheid niet geldt voor particuliere opdrachtgevers omdat zij niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Van een particulier die zijn huis laat schilderen kan bijvoorbeeld wel worden verwacht dat hij nagaat of BTW in rekening wordt gebracht, maar niet dat hij bij deze opdracht specifieke arbeidsvoorwaardelijke eisen of voorwaarden stelt en deze controleert.

Dit wetsvoorstel introduceert een hoofdelijke aansprakelijkheid van de werkgever en diens opdrachtgever ter zake van onderbetaling (of niet betalen) van het verschuldigde loon. Een werknemer moet eerst zijn eigen werkgever aanspreken en een loonvordering instellen. Ook is het mogelijk om de directe opdrachtgever van de werkgever (hoofdelijk) aansprakelijk te stellen. Die opdrachtgever is in zee gegaan met een partij die het loon niet heeft uitbetaald. De werknemer heeft dus de keuze om bij onderbetaling (of niet betalen) van het verschuldigde loon, dat loon te vorderen bij zijn werkgever en/of diens opdrachtgever; zonodig via een gang naar de rechter. De werkgever is het loon verschuldigd uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en zijn opdrachtgever is de partij die direct contractueel betrokken is bij de nalatige werkgever. Deze opdrachtgever kan uit dien hoofde doorgaans invloed uitoefenen op de werkgever. Door eerst de werkgever en/of diens directe opdrachtgever aan te spreken wordt bereikt dat de partijen die het meest direct betrokken zijn bij de onderbetaling hier ook in eerste instantie mee worden geconfronteerd. Wanneer de vordering van de werknemer tot voldoening van het verschuldigde loon bij zijn werkgever en/of diens opdrachtgever niet slaagt, kan de werknemer naar de eerstvolgende hogere schakel in de keten. Deze eerstvolgende hogere schakel is de opdrachtgever van de opdrachtgever van de werkgever (de derde ‘schakel’ in de keten).

Volledige minimumloon uitbetaald

Werknemers krijgen het volledige minimumloon uitbetaald. Werkgevers mogen niet langer een deel van het minimumloon als onkostenvergoeding uitbetalen of bedragen inhouden op het minimumloon. voorschotten op het minimumloon, overeenkomstig artikel 7a aan de werknemer verstrekt, vatbaar voor verrekening met het minimumloon, mits dit vooraf schriftelijk met de werknemer is overeengekomen. Als onkosten ten onrechte als bestanddeel van het minimumloon zijn meegerekend, kan aan de werkgever een bestuurlijk boete worden opgelegd wegens onderbetaling en een last onder dwangsom teneinde betaling van het achterstallige loon tot minimumloonniveau af te dwingen.

Openbaarmaking inspectiegegevens

De Inspectie SZW gaat de namen van gecontroleerde ondernemingen bekend maken, bijvoorbeeld van bedrijven die werknemers onderbetalen.

Loonstroken

Loonstroken moeten transparanter worden en het minimumloon mag niet meer contant worden uitbetaald. De bedragen waaruit het loon is samengesteld, waaronder eventuele onkostenvergoedingen, alsmede de bedragen die op het loon zijn ingehouden moeten gespecificeerd zijn op de loonstrook. Omdat op de loonstrook gespecificeerd moet worden uit welke bedragen het loon is samengesteld, dient ook te worden aangegeven welk bedrag aan vakantiebijslag is uitbetaald. Op grond van het gewijzigde artikel 18b, tweede lid, WML is de werkgever verplicht aan de toezichthouder de loonstrook als bedoeld in artikel 7:626 BW te verstrekken.

Giraal uitbetalen

De werkgever wordt verplicht om voor iedere werknemer minimaal het gedeelte van het loon, gelijk aan het netto verschuldigde wettelijk minimumloon, giraal uit te betalen. Onder girale betaling wordt verstaan het door de werkgever bijschrijven van het loon op een rekening, bestemd voor girale betaling, op naam van de werknemer. Bij niet girale uitbetaling van het loon tot aan het minimumloonniveau kan een bestuurlijke boete worden opgelegd. Een uitzondering op de verplichting het loon giraal te betalen wordt gemaakt als er sprake is van dienstverlening aan huis op basis van een arbeidsovereenkomst. De zogenoemde Regeling dienstverlening aan huis is bedoeld om de markt voor persoonlijke dienstverlening te stimuleren. De verplichting tot girale uitbetaling van het minimumloon geldt niet voor de betaling van de vakantiebijslag.

Informatie uitwisseling

Werkgevers- en werknemersorganisaties en de Inspectie SZW gaan informatie uitwisselen als het vermoeden bestaat dat een werkgever de cao-afspraken niet nakomt.

Minimumloon en AOW-leeftijd

Het voorstel om het minimumloon en de minimumvakantiebijslag ook voor AOW-gerechtigden te laten gelden wordt opgenomen in het Wetsvoorstel werken na de AOW-gerechtigde leeftijd.

 

(meer…)