16-5-2022 Bescheiden van bedrijf bewaren of vernietigen?

Wettelijk bent u verplicht om bescheiden en andere gegevensdragers die (fiscaal) relevant kunnen zijn, zeven jaar te bewaren. Dat betreft dan met name de primaire administratie, zoals het grootboek en de vastlegging van debiteuren, crediteuren, in- en verkoop, voorraad en loonadministratie.
Hier zijn echter uitzonderingen op. Soms, met name bij onroerendgoedtransacties, is het zaak die bescheiden minimaal negen jaar te bewaren, in verband met de eventuele fiscale herzieningsperiode voor de btw. De onderstaande tabel geeft een overzicht met bewaartermijnen.

Documenten

 

Bewaar-termijn

 

Bewaren vanaf

 

Algemene administratie

 

7 jaar

 

Vanaf 1 januari na start administratie boekjaar

 

Facturen

 

7 jaar

 

Na opstellen c.q. ontvangst factuur

 

Gegevens loonadministratie (fiscaal belang)

 

5 jaar

 

Vanaf het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd

 

Gegevens personeelsdossier (géén fiscaal belang) getuigschriften, correspondentie, ontwikkelingsplan, etc.

 

2 jaar

 

Twee jaar na uitdiensttreding

 

Jaarrekening en accountantsverklaring

 

7 jaar

 

Vanaf datum goedkeuring jaarrekening

 

Administratie van een ontbonden rechtspersoon, inclusief bescheiden en gegevensdrager

 

7 jaar

 

Na ontbinding rechtspersoon

 

Gegevens bedrijfsmatig onroerend goed

 

9 jaar

 

Volgend op het jaar van ingebruikname

 

Dividendnota’s

 

5 jaar

 

Na opstellen

 

Subsidieadministratie

 

7 jaar

 

Vanaf datum opstellen

 

Werknemers die aan gevaarlijke stoffen worden blootgesteld; arbeidsgezondheidskundig onderzoek en lijsten van werknemers die zijn blootgesteld aan kankerverwekkende stoffen en asbest 40 jaar

 

Vanaf beëindiging van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen

 

16.05.2022 Excessief lenen bij eigen BV voorkomen

Vanaf 2023 mag u samen met uw partner nog tot € 700.000 onbelast lenen van uw eigen BV(‘s). Het meerdere wordt belast met 26,9% (tarief 2022) inkomstenbelasting. Wat kunt u doen om deze belastingheffing te voorkomen?

Lenen van uw BV is fiscaal gezien de voordeligste manier om geld uit uw onderneming te halen. Keert u namelijk een deel van de winst uit als dividend, dan is deze uitkering met 26,9% belast in box 2. Als u dit uit zou keren in de vorm van een salarisverhoging, is deze uitkering bij u progressief belast in box 1. Bij een lening bent u echter niet meteen belasting verschuldigd.

Als er echter sprake is van excessieve leningen, vindt het kabinet dat het niet meer om een lening gaat, maar om een uitdeling aan de aanmerkelijkbelanghouder. Hierbij hebben zij de grens nu gesteld op een bedrag van € 700.000. Het meerdere wordt dan automatisch belast met 26,9% inkomstenbelasting.
Leningen bij uw BV ter financiering van uw eigen woning tellen niet mee bij dit bedrag!

Deze regeling gaat niet alleen gelden voor u als aanmerkelijkbelanghouder, maar ook voor uw partner. De schulden van u en uw partner worden daarom samengeteld. Het maakt hierbij niet uit wie van u deze schulden zijn aangegaan.
Ook leningen vanuit de BV aan uw (klein)kinderen en uw (groot)ouders vallen onder deze regeling. Voor ieder van deze verbonden personen wordt (tezamen met de partner) apart beoordeeld of de schuld meer bedraagt dan € 700.000. Het meerdere wordt bij u als aanmerkelijkbelanghouder belast.

De invoeringsdatum van deze regeling is vooralsnog 1 januari 2023. Dit betekent dat de Belastingdienst voor het eerst op 31 december 2023 gaat toetsen of uw schuld excessief is. U heeft dan ook tot deze datum de tijd om de bovenmatige schulden zo veel mogelijk af te lossen.


Aflossen:
Als u privé voldoende liquide middelen heeft, kunt u daarmee (het bovenmatige deel van) de lening bij de BV aflossen.

(Onbelast) terugbetalen van kapitaal:
Heeft u een aanzienlijk aandelenkapitaal gestort in uw BV, dan kunt u dit kapitaal onbelast terugbetalen voor zover de teruggaaf niet meer bedraagt dan de verkrijgingsprijs van uw aandelen. Uw schuld kan vervolgens verminderd worden met deze terugbetaling.
Deze terugbetaling moet altijd via de notaris plaatsvinden.

Dividend uitkeren:
Een andere mogelijkheid is om dividend aan uzelf uit te keren. Deze dividenduitkering kan dan verrekend worden met de schuld die u heeft aan uw BV.
Over deze dividenduitkering bent u wel 26,9% inkomstenbelasting verschuldigd.

Vastgoed verkopen:
Als u privé vastgoed heeft, kunt u overwegen om het vastgoed te verkopen aan de BV (of aan een derde) en met de verkoopopbrengst de lening af te lossen.
Bij een overdracht aan de BV is deze wel 8% overdrachtsbelasting verschuldigd. Er is voor gepleit om voor deze overdracht ter aflossing van het bovenmatige deel van de lening een tijdelijke vrijstelling voor de overdrachtsbelasting te faciliteren. Het kabinet ziet hier echter niets in.

Herfinancieren:
U heeft ook de mogelijkheid om uw schuld (deels) te herfinancieren, bij bijv. een bank, familie of vrienden.

12-5-2022 Minimumloon per 1 juli 2022

Vanaf 21 jaar. Alle werknemers vanaf 21 jaar hebben recht op het wettelijk minimumloon. Dit is het loon dat zij minimaal moeten ontvangen als zij werken. Voor jongere werknemers geldt het minimumjeugdloon.

Volledige werkweek. De bedragen van het wettelijk minimumloon gelden voor een volledige werkweek. Meestal is dat 36, 38 of 40 uur per week. Dit hangt af van de sector en de mogelijke cao-afspraken die er voor deze sector gelden. In deze cao-afspraken staat hoelang een normale werkweek duurt. In supermarkten is bijv. een volledige werkweek 40 uur. In de horeca en de glastuinbouw is dat 38 uur per week.

Wettelijk minimumloon vanaf juli 2022
De minimumloonbedragen worden uitgedrukt in bedragen per maand, per week en per (werk)dag. Een uniform wettelijk minimumuurloon kent de wet niet. Het uurloon kan per sector verschillen, afhankelijk van het aantal uren dat als normale arbeidsduur geldt. Het wettelijk brutominimumloon (WML) voor werknemers van 21 jaar en ouder bij een volledig dienstverband wordt per 1 juli 2022:

  • € 1.756,20 per maand (was € 1725)
  • € 405,30 per week (was € 398,10)
  • € 81,06 per dag (was € 79,62)

Weliswaar begint de laagste loonschaal in veel cao’s met een salaris boven het WML-bedrag, maar als er geen cao is, moet de werkgever ten minste het wettelijk minimumloon betalen. Overigens behoort een forsere verhoging van het wettelijk minimumloon tot de mogelijkheden. Bij de kabinetsformatie ligt dit voorstel op tafel, omdat het voor mensen met een minimumloon nauwelijks mogelijk is om goed rond te komen.

Minimum(jeugd)loon naar arbeidsduur
Het minimumjeugdloon wordt afgeleid van het wettelijk minimumloon. Het uurbedrag van het minimumloon en het minimumjeugdloon is afhankelijk van de leeftijd en de omvang van de gebruikelijke werkweek. Het brutominimumloon per uur per 1 juli 2022 bij een normale arbeidsduur voor een fulltime dienstverband is:

Leeftijd 36 uur per week 38 uur per week 40 uur per week
21 jaar en ouder € 11,26 € 10,67 € 10,14
20 jaar € 9,01 € 8,54 € 8,11
19 jaar € 6,76 € 6,40 € 6,08
18 jaar € 5,63 € 5,34 € 5,07
17 jaar € 4,45 € 4,22 € 4,01
16 jaar € 3,89 € 3,69 € 3,50
15 jaar € 3,38 € 3,20 € 3,04

Brutominimumloon per uur voor werknemers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst die is aangegaan in verband met een basisberoepsbegeleidende leerweg (BBL) per 1 juli 2022 bij een normale arbeidsduur voor een fulltime dienstverband van:

Leeftijd 36 uur per
week
38 uur per
week
40 uur per
week
20 jaar € 6,93 € 6,56 € 6,24
19 jaar € 5,92 € 5,60 € 5,32
18 jaar € 5,13 € 4,86 € 4,61

15-04-2022 UWV-overzicht jeugd-LIV over 2021 checken t/m 1 mei 2022

Loontegemoetkoming jeugd-LIV

Als u jongeren in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar in dienst heeft die het minimumjeugdloon verdienen, dan heeft u, indien u voldoet aan de voorwaarden, recht op de tegemoetkoming verhoging minimumjeugdloon (jeugd-LIV).
U heeft als werkgever recht op het jeugd-LIV als uw werknemer voldoet aan vier voorwaarden:
– hij is verzekerd voor een of meer werknemers­verzekeringen;
– hij geniet loon uit tegenwoordige arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 tot en met 6 van de Ziektewet;
– hij is op 31 december van het voorgaande kalenderjaar: 18, 19 of 20 jaar oud;
– hij heeft een gemiddeld uurloon dat binnen de uurloongrenzen van het desbetreffende kalen­der­jaar valt.

Voor het jeugd-LIV 2021 gelden de hiernavolgende uurloongrenzen.

Leeftijd op 31 december 2020 Gemiddeld uurloon in 2021 is minimaal Gemiddeld uurloon in 2021 is lager dan
20 jaar € 8,43 € 10,48
19 jaar € 6,32 € 9,38
18 jaar € 5,27 € 7,04

Hoogte jeugd-LIV 2021

Leeftijd op 31 december 2020 Per werknemer per verloond uur (2021) Maximaal per werknemer per jaar (2021)
20 jaar € 0,30 € 613,60
19 jaar € 0,08 € 166,40
18 jaar € 0,07 € 135,20

Als u in aanmerking komt voor het jeugd-LIV, dan ontvangt u hiervan automatisch een bericht van het UWV. U hoeft het jeugd-LIV dus niet aan te vragen. Het UWV stelt op basis van de verloonde uren in uw aangiften loonheffingen en eventuele correcties vast voor welke werknemers het recht bestaat op jeugd-LIV.

2021 herstellen tot en met 1 mei 2022

Jeugd-LIV 2021 wel checken

Indien u recht heeft op het jeugd-LIV 2021, dan heeft u voor 15 maart 2022 van het UWV een voorlopige berekening jeugd-LIV 2021 ontvangen. Het UWV heeft deze voorlopige berekening opgesteld aan de hand van de aangiften loonheffingen (rubriek verloonde uren) en de correcties die u over 2021 tot en met 31 januari 2022 heeft ingediend. Het is zaak dat u de voorlopige berekening goed controleert. Verzorgt uw adviseur de loonheffingen, geef hem dan een kopie van de voorlopige berekening.
Heeft u een fout gemaakt in de aangiften loonheffingen 2021, bijv. omdat u de rubriek verloonde uren niet juist heeft ingevuld, dan kunt u dit nog herstellen tot en met 1 mei 2022 door een correctiebericht in te dienen bij de Belastingdienst. Doet u dit niet of bent u te laat, dan loopt u het jeugd-LIV 2021 deels of in zijn geheel mis. Heeft u de loonaangiften 2021 wel juist ingevuld, maar klopt de voorlopige berekening niet of heeft u geen voorlopige berekening jeugd-LIV 2021 ontvangen, terwijl u wel van mening bent dat u hier recht op heeft, dan kunt u bellen naar de UWV Telefoon Werkgevers: (088) 898 92 95. Het jeugd-LIV over het jaar 2021 wordt uiterlijk op 12 september 2022 door de Belastingdienst betaald.

15-3-2022 De jubelton per 1 januari 2023 fors lager

Zoals bekend, kan iemand tussen de 18 en 40 jaar een belastingvrije schenking voor de eigen woning krijgen van € 106.671 (2022), de zogenaamde ‘jubelton’. Deze regeling wordt per 1 januari 2023 flink beperkt.

Pas per 2024 afgeschaft. De belastingvrije schenking voor de eigen woning moet gebruikt worden voor de aankoop, de verbetering of het onderhoud van de eigen woning of om de eigenwoningschuld mee af te lossen. Het kabinet heeft in het regeerakkoord opgenomen dat deze jubelton gaat verdwijnen. Omdat het de Belastingdienst niet lukt om de systemen snel aan te passen, zou het afschaffen van de jubelton pas per 1 januari 2024 kunnen plaatsvinden.

Wel al per 2023 verlaagd. Het kabinet heeft op verzoek van de Tweede Kamer gekeken of het mogelijk was deze schenkingsvrijstelling al per 2023 af te schaffen of te verlagen. Conclusie was dat afschaffing niet mogelijk was, maar een verlaging wel. Naast de schenkingsvrijstelling voor de eigen woning bestaat de mogelijkheid voor ouders om hun kind eenmalig een bedrag van € 27.231 belastingvrij te schenken dat het kind vrij mag besteden. In 2023 wordt de schenkingsvrijstelling voor de eigen woning naar ditzelfde bedrag verlaagd. Ouders kunnen dan dit bedrag aan hun kind schenken voor de eigen woning of voor vrije besteding. Beide kan niet.

Vooruitlopend op de afschaffing van de jubelton per 1 januari 2024, wordt de schenkingsvrijstelling eigen woning per 1 januari 2023 verlaagd tot € 27.231. Door dit jaar nog een bedrag voor de eigen woning te schenken, kan er een fors bedrag aan schenkbelasting bespaard worden.

8-3-2022 Schenkingsvrijstelling eigen woning al per 2023 verlaagd

De schenkingsvrijstelling eigen woning (jubelton) wordt per 1 januari 2023 verlaagd tot € 27.231. De vrijstelling zal per 1 januari 2024 helemaal worden afgeschaft, zoals ook afgesproken in het coalitieakkoord. Dat heeft het kabinet besloten.

Op 1 maart 2022 werd al bekend dat het mogelijk is om per 1 januari 2023 de schenkingsvrijstelling voor de eigen woning te verlagen, waarbij het de meest logische keuze is het bedrag van de eenmalige verhoogde vrijstelling tussen ouders en kinderen (€ 27.231) als minimale ondergrens te hanteren. Een lagere vrijstelling zou de begrijpelijkheid voor de burger niet ten goede komen.

Het verlagen van de schenkingsvrijstelling eigen woning wordt opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2023.

07-02-2022 Belastingdienst doet uitspraak in procedures over box 3

De Belastingdienst heeft alle ruim 200.000 bezwaarschriften die bij de zogenaamde ‘massaalbezwaarprocedures box 3’ over de jaren 2017 tot en met 2020 horen, gegrond verklaard. Het wordt echter pas begin mei 2022 duidelijk welke mensen geld terugkrijgen, hoeveel dat dan is en wanneer precies dat gaat gebeuren.

Uitspraak Hoge Raad
Zoals bekend, heeft de Hoge Raad eind december 2021 een belangrijke uitspraak over de box 3-heffing gedaan. Volgens de Hoge Raad is de manier waarop vermogen in box 3 wordt belast, in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en mag alleen het werkelijk rendement op het box 3-vermogen belast worden. De Hoge Raad heeft echter niet aangegeven hoe dit precies moet worden bepaald.

Uitspraak op bezwaarschriften
De Belastingdienst heeft afgelopen vrijdag uitspraak gedaan in de massaalbezwaarprocedures box 3 over de jaren 2017 tot en met 2020. In de uitspraak staat dat alle ruim 200.000 bezwaarschriften die bij deze massaalbezwaarprocedures horen, gegrond worden verklaard. Het is op dit moment nog niet duidelijk welke mensen geld terugkrijgen, hoeveel en wanneer precies. Het is de bedoeling dat hierover begin mei duidelijkheid komt.

Aanslagenstop
De uitspraak van de Hoge Raad geldt ook voor de jaren 2021 en verder. Daarom is er besloten om voorlopig geen aanslagen op te leggen waarin de afgekeurde box 3-heffing is opgenomen. Dit geldt niet als een aanslag dreigt te verjaren of als er een belang is voor de belastingplichtige, bijv. bij middeling of verliesverrekening.
De Belastingdienst vraagt wel om in afwachting van verdere besluitvorming de voorlopige aanslagen over 2022 te betalen. Wij adviseren u om hiertegen toch bezwaar aan te tekenen.

Belastingaangifte over 2021
De Belastingdienst vraagt ook om over het jaar 2021 gewoon aangifte te doen, ook over het box 3-vermogen. Doordat er pas later duidelijkheid komt over de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad, zullen de definitieve aanslagen 2021 bij mensen met box 3-vermogen waarschijnlijk later dan de normale datum van 1 juli worden opgelegd.

Nieuw box 3-stelsel
Het kabinet wil een nieuw stelsel van belastingheffing in box 3 invoeren, op basis van werkelijk rendement. Dit kan op z’n vroegst vanaf 2025 ingaan. Voor de tussenliggende jaren tot 2025 werkt het kabinet aan aanpassingen via spoedwetgeving.

26-1-2022 Uitspraak Hoge Raad inzake box 3-heffing leidt tot aanslagenstop

De Hoge Raad heeft een belangrijke uitspraak gedaan over de box 3-heffing. Daaruit werd namelijk duidelijk dat de huidige box 3-heffing niet houdbaar is. Dit heeft gevolgen voor belastingplichtigen die in het verleden hiertegen bezwaar hebben aangetekend. Maar ook voor de toekomst is dit van belang.

De Belastingdienst zal voorlopig geen aanslagen opleggen waarin de afgekeurde box 3-heffing is opgenomen. Dit betekent dat u bijv. over het jaar 2020 nog geen definitieve aanslag hoeft te verwachten als u in dat jaar box 3-heffing verschuldigd was. De Belastingdienst pauzeert deze aanslagen tot het moment dat het kabinet het eens is over de aanpassing van box 3. Daarbij moet ook duidelijk worden of belastingplichtigen die in het verleden geen bezwaar hebben gemaakt, gecompenseerd gaan worden. Heeft u al wel een voorlopige aanslag ontvangen waarin box 3-heffing is opgenomen, dan doet u er goed aan daartegen toch bezwaar aan te tekenen en om uitstel van betaling van deze heffing te verzoeken.

De aanslagenstop geldt niet als er sprake is van verjaringsrisico. Daarvan is sprake als de verjaringstermijn dreigt te verstrijken, waardoor er geen (navorderings)aanslag meer kan worden opgelegd. Dit geldt onder andere voor de aanslagen 2017 en 2018. Ook zullen er gewoon aanslagen worden opgelegd indien de belastingplichtige belang heeft bij de doorgang van het proces. Dit geldt bij voorlopige aanslagen, verliesverrekening en middelingsverzoeken. Zo zijn de voorlopige aanslagen over het belastingjaar 2022 op reguliere wijze opgelegd.

Vanaf 1 maart 2022 wordt u weer uitgenodigd digitaal aangifte inkomstenbelasting te doen over 2021. Naar verwachting zal daarin op de ‘oude’ wijze naar uw box 3-vermogen worden gevraagd. U bent dan wel verplicht om dat correct in te vullen. Bij de uiteindelijke aanslagoplegging zal een en ander worden gecorrigeerd.

11-1-2022 Gerichte vrijstelling thuiswerkkosten 2022

Vanaf 1 januari 2022 mag u de werknemer een onbelaste vergoeding geven voor thuiswerkkosten. Hiervoor geldt een gerichte vrijstelling van € 2 per thuisgewerkte dag.

De vergoeding voor thuiswerkkosten is bedoeld voor de extra kosten voor water- en elektriciteitsgebruik, verwarming, koffie, thee en toiletpapier. Het bedrag van € 2 is gebaseerd op onderzoek dat het Nibud heeft gedaan. U kunt de vrijstelling ook toepassen als een werknemer slechts een deel van de dag thuiswerkt.

Voor het inrichten van een thuiswerkplek mag u al een onbelaste vergoeding geven. De kosten voor een bureaustoel, een computer of een telefoon, kunt u via andere gerichte vrijstellingen van de werkkostenregeling vergoeden.

128-dagenregeling

Voor deze gerichte vrijstelling geldt de 128-dagenregeling. Dit wil zeggen dat als de werknemer 128 dagen thuiswerkt, u de werknemer een vaste onbelaste vergoeding voor thuiswerkkosten mag geven alsof de werknemer 214 dagen per kalenderjaar thuis werkt. De 128-dagenregeling gaat uit van 214 werkdagen per jaar voor een fulltime medewerker, na aftrek van vakantie, ziekte (gemiddeld ziekteverzuim) en feestdagen.

Eén vrijstelling per werkdag

U mag voor eenzelfde werkdag niet tegelijkertijd de vrijstelling voor een vergoeding voor  thuiswerkkosten en de vrijstelling voor een reiskostenvergoeding voor het woon-werkverkeer naar de vaste werkplek toepassen. Dit is alleen mogelijk als de werknemer op een dag deels thuiswerkt en daarnaast een zakelijke reis (dienstreis) maakt, die geen woon-werkverkeer is.

Vaste werkplek

Er is in ieder geval sprake van een vaste plaats van werkzaamheden als een werknemer op kalenderjaarbasis meer dan 40 dagen naar de betreffende plek reist. Dit is ongeacht de datum van indiensttreding, het aantal contracturen en de lengte van het verblijf. Er kan sprake zijn van meerdere vaste werkplekken.

Afspraken met werknemer

U kunt met de werknemer afspraken maken over het aantal thuiswerkdagen. Dit kan een basis vormen voor de vaststelling van de onbelaste vergoeding voor de reizen voor woon-werkverkeer en voor de thuiswerkkosten.

Vergoeding aanpassen

De vaste vergoeding hoeft u niet aan te passen als de werknemer incidenteel op een thuiswerkdag toch op kantoor werkt, of andersom. Wanneer de werknemer structureel meer gaat thuiswerken of naar kantoor gaat, dan moet u de vaste vergoeding aanpassen.

Bijtelling auto bij Verklaring geen privégebruik

30.11.2021

De Belastingdienst heeft een handreiking opgesteld waarin wordt uitgelegd hoe de bijtelling werkt als een werknemer voor zijn auto van de zaak op een later moment bij u een Verklaring geen privégebruik inlevert.

 

Wanneer geen bijtelling? Voor een werknemer die de beschikking heeft over een auto van de zaak die hij ook privé mag gebruiken, geldt dat u als werkgever een bijtelling in de loonadministratie in aanmerking moet nemen. De bijtelling mag alleen achterwege blijven als de werknemer de auto minder dan 500 km per jaar privé gebruikt of als hij bij u een Verklaring geen privégebruik inlevert. Hoe werkt dat precies als een werknemer in de loop van het jaar een auto krijgt?

Praktijkvoorbeeld

Een werknemer krijgt vanaf 1 maart een auto van de zaak. De werknemer wil een bijtelling voorkomen en u spreekt af dat hij een Verklaring geen privégebruik aanvraagt bij de Belastingdienst en die bij u inlevert. Totdat de verklaring er is, zal de werknemer een kilometeradministratie bijhouden.

Totdat de verklaring is ingeleverd. Over de maand maart levert de werknemer een kilometeradministratie in waaruit blijkt dat de auto 65 km privé is gebruikt. De bijtelling mag alleen achterwege gelaten worden als de auto minder dan 500 km per jaar privé gebruikt wordt. Deze werknemer heeft dit jaar de auto tien maanden ter beschikking, dus mag hij deze maximaal 416 km (10 / 12 x 500 km) privé gebruiken, dat is dus 41,6 km in maart. Omdat de auto 65 km privé is gebruikt, moet er een bijtelling plaatsvinden. In april levert de werknemer zijn kilometeradministratie opnieuw in en in april is er 45 km privé gereden. Totaal in twee maanden dus 110 km, als hij zo doorgaat komt hij dit jaar uit op 550 km en dat is meer dan 416 km. Ook over april moet er bijgeteld worden.

Na het inleveren van de verklaring. In mei levert de werknemer de verklaring geen privégebruik in. U mag dan stoppen met de bijtelling, tenzij u weet dat de auto op jaarbasis meer dan 500 km privé wordt gebruikt. Zolang de werknemer geen administratie over mei inlevert, weet u dat niet en kan de bijtelling achterwege blijven.

Eerdere maanden corrigeren? Als de werknemer u in mei vraagt om de loonadministratie over maart en april te corrigeren, dan mag dat, maar alleen als u zeker weet dat de auto op jaarbasis minder dan 500 km privé is gebruikt. De kilometeradministratie over mei mag dan dus maximaal 14,8 privékilometers laten zien (totaal aantal privékilometers is dan 65 + 45 + 14,8 = 124,8 in drie maanden = 416 privékilometers in tien maanden).

Correctie in belastingaangifte werknemer. Als u niet wilt of kunt corrigeren, dan kan de werknemer in zijn aangifte inkomstenbelasting een correctie maken op het loon dat op zijn jaaropgaaf staat en op deze manier de ingehouden loonbelasting over de bijtelling terugvragen.

Wie loopt het risico bij fouten?

Verklaring. Als u een Verklaring geen privégebruik heeft, dan kunt u de bijtelling achterwege laten, tenzij u weet dat de werknemer de auto toch voor meer dan 500 km per jaar privé gebruikt. Het risico op naheffingen door de Belastingdienst ligt dan dus in beginsel bij de werknemer.

Geen verklaring. Als er geen Verklaring geen privégebruik is ingeleverd en de werknemer een kilometeradministratie bijhoudt, dan moet u er heel zeker van zijn dat de 500 km-grens niet wordt overschreden, want het risico op naheffingen ligt dan bij u als werkgever.

Het is oppassen geblazen bij het achterwege laten van de bijtelling voor privégebruik van een auto van de zaak. Zolang u niet beschikt over een Verklaring geen privégebruik, loopt u het risico als er iets fout gaat. Let op als een werknemer in de loop van het jaar een auto van de zaak krijgt: de 500 km-grens wordt dan naar rato toegepast.